M/H 2: Hoofdstuk 3

ijscokarDe ijscokar

Je gaat in de zomervakantie een dagje geld verdienen!
Je huurt een ijscokar en betaalt daarvoor € 35 aan de verhuurder. Uiteraard koop je er ijsjes bij, en wel 120 stuks à € 0,75.
Het wordt een warme dag en je besluit de ingekochte ijsjes te gaan verkopen bij het zwembad voor € 1,50 p.s.

Halverwege de middag zijn alle ijsjes op, je bent uitverkocht! Je brengt de kar terug naar de verhuurder en vraagt je af: “wat heb ik nu vandaag verdiend?”

ijco

Dat gaan we uitrekenen.
Bepaal de afzet, de omzet, de inkoopwaarde, de brutowinst, de kosten en de nettowinst!

Gebruik daarvoor de groene blokken in je boek op blz. 80, 81 en 82.
Zet de berekening netjes onder elkaar zoals in de blauwe voorbeeldblokjes!